De verhalen van Jezus laten zich vaak niet simpel vangen; ze zijn paradoxaal en multidimensionaal. Hoe dichter we bij Pasen komen, hoe dichter we ook bij het lijden komen, maar – hoe absurd het ook voelt – ook dichter bij de overwinning. Het is een tegenstrijdigheid die schuurt: dat juist in de diepste vernedering de grootste winst wordt behaald, en dat wij in dat proces gedwongen worden om na te denken over onze eigen (on)schuld.
Vandaag duik ik in Het leven van Jezus, een hervertelling van de vier evangeliën die Charles Dickens speciaal schreef om de essentie van dit verhaal aan zijn eigen kinderen over te dragen. In het onderstaande fragment uit het boek wordt de spanning van de weg naar het kruis tastbaar:
Na deze gebeurtenis was er een groot Joods feest, en Jezus Christus ging naar Jeruzalem. Vlak bij de schaapspoort in die stad lag een vijver die Betzata heette, met vijf poorten eromheen. Rond de tijd van dat feest kwamen daar grote aantallen zieke en kreupele mensen bijeen om daar te kunnen baden. Ze geloofden dat er een engel kwam die het water in beweging bracht, en dat wie als eerste daarna het water in ging, genezen zou worden – van welke ziekte dan ook. Onder hen was een man die al achtendertig jaar ziek was. Jezus Christus zag hem daar liggen, alleen op zijn bed, en kreeg medelijden met hem. De man vertelde dat hij nooit in het water kon komen, omdat hij te zwak en te ziek was om zichzelf te verplaatsen. Onze Verlosser zei tegen hem: ‘Sta op, neem je bed op en ga.’ En de man stond op en ging weg – helemaal gezond.
Veel Joden zagen dit gebeuren, en toen ze het zagen, haatten ze Jezus Christus nog meer. Ze begrepen dat het volk, nu het door Hem werd onderwezen en genezen, niet meer zou luisteren naar hun priesters – priesters die leugens vertelden en het volk misleidden. Dus zeiden ze tegen elkaar dat Jezus Christus moest worden gedood, omdat Hij mensen genas op de sabbat (wat tegen hun strikte wetten was) en omdat Hij Zichzelf de Zoon van God noemde. Ze probeerden mensen op te hitsen tegen Hem, en de menigte op straat zover te krijgen dat ze Hem zouden vermoorden.
Dickens laat het absurd klinken: de mensen zouden schijnbaar willen blijven geloven in de leugens van hun leiders. Wisten ze dan niet dat het leugens waren? Gek genoeg zijn het dus zowel de leiders zelf als hun volgelingen die er veel voor over hebben om de bestaande machtsstructuren te behouden.
Het lijkt me moeilijk voor te stellen: iemand (nog meer) haten omdat hij een zieke man geneest. Waarom zou ik iemand die is gekomen om als herder ‘de schapen’ het leven te geven in al zijn volheid (Johannes 10:10), willen kruisigen? Waarom zou ik juist degene die leven brengt, dood willen zien? Hoe Dickens het omschrijft, wordt het lastig om jezelf te identificeren met de leiders die Jezus de dood toewensen. Want dat doe ik niet, toch?
Laatst las ik een fragment van de Tsjechische rooms-katholieke priester Tomáš HalÃk dat me aan het denken zette. Niet alleen is het kruis van Jezus volgens hem een spiegel waarin wij het kwaad en het geweld in al hun naaktheid zien, maar hij vraagt zich af of wij, die ‘toch schone handen hebben’, ook wel uit de illusie van de onschuld zijn wakker geschrokken en de medeverantwoordelijkheid op ons genomen hebben voor een wereld waarin niet zozeer de daden van slechte mensen de verschrikkingen veroorzaken, maar meer nog de onverschilligheid en het nietsdoen van de ‘goede’ mensen.
Als ik over deze uitspraak nadenk, vind ik het lastig om te zeggen in hoeverre ik HalÃk gerust zou kunnen stellen. Zeker, ik zie de bewogenheid van ‘goede’ mensen. Ik zie hoe mensen in beweging komen om het goede te doen. Ik merk in zekere mate hoe er wordt gestreden tegen onrecht, wordt gebouwd aan gemeenschap, en hoe liefde wordt gedeeld met anderen. En tegelijkertijd merk ik ook hoe duister het kan zijn. Hoe onverschilligheid soms de boventoon kan voeren.
Zien we in de beschuldigende vinger die Dickens naar de priesters wijst, niet juist het ‘kwaad in zijn naaktheid’? Het is makkelijk om naar een ander te wijzen, maar schuilt het kwaad niet veel meer in ons allemaal, in onze onverschilligheid? Zelf ben ik misschien wel vaker onverschillig dan ik zou willen toegeven. Ik sta toe te kijken hoe Jezus wordt gehaat, net zolang totdat Hij wordt genageld aan het kruis. Wie vertelt mij dat de liefde sterk is als de dood (Hooglied 8:6)? Wie schudt mij wakker?
Wie schudt jou wakker?
