Als mensen beschikken we over wonderlijke talenten: we kunnen vliegen door de wolken en de diepste oceanen verkennen. Toch gebruiken we die kracht nog te vaak voor strijd, terwijl de wereld schreeuwt om een andere aanpak. In de klassieke fabel De conferentie van de dieren, geschreven door Erich Kästner, houden de dieren ons een spiegel voor: wanneer stoppen we met praten en gaan we doen wat echt nodig is voor de toekomst van de aarde en onze kinderen?
‘Verschrikkelijk volk! En ze zouden het zo leuk kunnen hebben! Ze kunnen duiken als vissen, rennen zoals wij, zeilen als eenden, klimmen als gemzen en vliegen als adelaars, en wat krijgen ze voor elkaar?’ ‘Oorlogen!’ gromde de leeuw Alois. ‘Oorlogen krijgen ze voor elkaar. En revoluties. En stakingen. En hongersnood. En nieuwe ziekten. Als ik niet zo blond was, zou ik me ter plekke…’ ‘Groen en geel ergeren,’ vulde de giraf aan, want dat zinnetje kenden de woestijndieren allang van buiten.
‘Ik vind het erg voor hun kinderen,’ vond Oskar de olifant en liet zijn oren hangen. ‘Zulke lieve kinderen! En altijd weer moeten ze de oorlogen en revoluties en stakingen meemaken, en dan zeggen de grote mensen ook nog dat ze alles gedaan hebben om het de kinderen later gemakkelijker te maken. Hoe durven ze!’ ‘Een neef van mijn vrouw,’ vertelde Alois, ‘werkte in de oorlog bij een groot circus in Duitsland. Hij moest koorddansen en door een hoepel springen. Hasdrubal, de Schrik der Woestijn is zijn artiestennaam. Bij een zware luchtaanval ging de tent in vlammen op en de dieren ontsnapten…’ ‘Arme kinderen,’ bromde de olifant.
‘… en de hele stad stond in brand, en de dieren en de mensen gilden en schreeuwden,’ vervolgde de leeuw, ‘en Hasdrubal, de neef van mijn vrouw, raakte door de hete wind zijn manen kwijt, en hij draagt nu een haarstukje.’ Woedend sloeg Alois met zijn staart in het Saharazand. ‘Stommelingen!’ brulde hij. ‘Altijd opnieuw moeten ze oorlog voeren, en zodra ze alles kapot hebben gemaakt zijn ze wanhopig! Als ik niet zo blond was…’ ‘Alles goed en wel,’ onderbrak de giraf hem, ‘maar tekeergaan helpt niet. Er moet iets gebeuren!’

Illustratie: Walter Trier. Afkomstig uit De conferentie van de dieren (Brandaan, 2025)
Erich Kästner schreef De conferentie van de dieren in 1949, kort na de verwoestingen van de Tweede Wereldoorlog. In een Europa dat in puin lag, zag hij hoe volwassenen opnieuw in eindeloze conferenties vervielen zonder directe resultaten te boeken. Dit specifieke fragment toont het breekpunt van de dieren: hun observatie dat de mens over bijna magische gaven beschikt – vliegen, duiken, klimmen – maar deze misbruikt voor oorlog en revolutie. De kern van hun verzet is niet politiek, maar moreel: ze doen het voor de kinderen, die telkens de dupe zijn van de ‘volwassen’ onwil om werkelijk te veranderen.
Het is makkelijk om moedeloos te worden van het nieuws of de traagheid waarmee de wereld lijkt te veranderen. Wanneer we zien hoe politieke leiders bepaalde beloftes doen, of juist dreigen met sancties, kan dat ons sceptisch maken. Zou wereldvrede ooit mogelijk zijn? En zou er een moment komen dat het onrecht stopt? We herkennen ons in de frustratie van de leeuw en de olifant: waarom praten we zoveel terwijl we ondertussen dezelfde fouten blijven maken? Maar de belangrijkste les van de dieren is niet hun woede, maar hun besluit: ‘Er moet iets gebeuren’.
”De dieren laten zien dat verantwoordelijkheid nemen voor de wereld begint bij de vraag: wat hebben degenen die na mij komen van mij nodig?”
Echte verandering ontstaat wanneer we de bereidheid vinden om ons eigen ‘uniform’ van onverschilligheid af te leggen, in plaats van te wachten op besluiten aan een grote vergadertafel. Uniformen en protocollen geven ons vaak een veilige afstand tot het leed van de ander, maar ze maken ons ook star. De dieren laten zien dat verantwoordelijkheid nemen voor de wereld begint bij de vraag: wat hebben degenen die na mij komen van mij nodig?
Dit vraagt om een ander soort kijken. De dieren in de fabel ‘staken hun kop niet in het zand’. Zij besluiten zelf een conferentie te beleggen en de mensheid onder druk te zetten. Daarmee kiezen ze voor morele helderheid in plaats van cynisme. Misschien is de werkelijke zoektocht van onze tijd wel de weg terug naar die onbevangenheid. En dat is direct ook het uitdagende: je kop niet in het zand steken en tegelijkertijd hoop houden dat het goedkomt met de wereld.
Je hoeft de wereld niet in je eentje te redden. Maar misschien mag je de moed vinden om, ondanks de complexiteit van alles wat er speelt, toch te blijven geloven in de waarde van je eigen handelen. Welk ‘uniform’ weerhoudt jou ervan het leed dichtbij te laten komen? En welke kleine stap kun jij vandaag zetten om de wereld een klein beetje mooier achter te laten voor wie na jou komt?
